Allereerst is een fundamentele verschuiving nodig in het moment waarop het waterschap aan tafel komt. De deelnemers pleiten ervoor dat het waterschap aan het begin van de keten betrokken is, in de fase waarin gebiedsontwerpen en programma's van eisen worden opgesteld — niet als zoveelste loket aan het einde van het proces, maar als adviserende, meedenkende partij aan de voorkant. Een deelnemer verwoordt het scherp: bij het afgeven van een bouwvergunning zou de waterproblematiek al moeten zijn afgedekt, ambtelijk georganiseerd en in het programma van eisen verwerkt. De aannemer mag op dat moment niet meer voor een vijftiende complicatie komen te staan, naast de veertien die al opgelost moeten worden voordat er gebouwd kan worden.
In het verlengde daarvan is meer eenvormigheid tussen waterschappen nodig. De deelnemers willen geen volledige uniformiteit — er moet ruimte zijn voor gebiedsspecifieke kenmerken — maar wel een basis die overal hetzelfde is, met begrijpelijke afwijkingen voor regionale omstandigheden. Vergunningseisen rond waterkwaliteit, lozingen en grondwateronttrekkingen zouden in grote lijnen op dezelfde manier moeten worden uitgevraagd. Europese kaders zoals de Kaderrichtlijn Water kunnen die standaardisatie versterken en worden door deelnemers als kans gezien. Een normbeeld waarop afwijkingen worden gemotiveerd helpt om te voorkomen dat een aannemer of ontwikkelaar bij elke regio een nieuw kaderwerk moet bestuderen.
Een derde lijn betreft het versterken van kennis en strategisch vermogen bij de waterschappen zelf, in samenhang met de keten. Het is onrealistisch om die kennis snel terug te bouwen; daarom wordt voorgesteld de dialoog tussen waterschappen en marktpartijen te institutionaliseren, vergelijkbaar met de werkwijze bij andere netbeheerders. De ecologen, adviseurs duurzaamheid en uitvoerende experts die bij bouw- en infrabedrijven aanwezig zijn, kunnen daarbij een gestructureerde inbreng leveren. De boodschap is: doe het samen, maar wees vanaf het begin duidelijk over de richting waarin je wilt. Een professionele dialoog over alternatieven is daarbij essentieel, vooral wanneer een vereist principe in een specifieke situatie niet de meest duurzame uitkomst geeft.
Een vierde noodzaak ligt in doelgerichte regelgeving in plaats van middelgerichte voorschriften. Eisen moeten beschrijven welk resultaat moet worden gerealiseerd; de markt krijgt de ruimte om de manier in te vullen. Wanneer infiltratie verplicht wordt gesteld terwijl een natuurlijke route via oppervlaktewater evident beter werkt, ontstaan oplossingen die meer materiaal kosten en minder duurzaam zijn. Alternatieve oplossingen moeten toegestaan zijn wanneer ze hetzelfde resultaat halen. Dat vraagt om regelgeving die ruimte laat voor afweging tussen materiaalgebruik, ruimtebeslag, kosten en effecten — en om uitvragers die die afweging actief organiseren.
Op het thema regenwaterhergebruik en drinkwaterbesparing zijn opschaling en collectieve oplossingen nodig. Het is niet zinvol om elk huis afzonderlijk uit te rusten met een regenwaterinstallatie zonder dat het op wijk- of buurtniveau wordt georganiseerd. Een gedeelde wadi of opslagtank kan een veel groter aantal woningen bedienen, en bij grote nieuwbouwlocaties is een collectieve aanpak technisch goed inpasbaar. In bestaande appartementencomplexen blijken grijswatersystemen vrijwel niet realiseerbaar zonder ingrijpende verbouwing, maar in nieuwbouw en fabrieksmatige woningproductie kan het mee als het van begin af aan in het ontwerp zit. Tegelijk moet de leercurve niet worden overgeslagen: zonder onderhoud, zonder bewustzijn bij beheerders en zonder volume blijft het systeem fragiel.
Een zesde lijn betreft een herziening van de financiele prikkels. De rioleringsheffing en waterzuiveringsheffing zouden meer in lijn moeten worden gebracht met het principe dat de vervuiler of grootgebruiker betaalt. Voor bedrijven en industrieen die aantoonbaar grote hoeveelheden water gebruiken, zou een progressief tarief kunnen gelden. Voor sociale woningbouw en lage inkomens moet wel een vangnet zijn — daar wordt nadrukkelijk op gewezen — maar het beeld dat water gratis uit de kraan komt en dat de werkelijke kostprijs nergens zichtbaar is, moet worden doorbroken. De vergelijking met kilometerheffing en met progressieve belastingen voor groot autobezit wordt expliciet gemaakt: pas wanneer de werkelijke prijs zichtbaar wordt, ontstaat een prikkel die gedragsverandering ondersteunt.
Een zevende lijn betreft langjarig en consistent beleid op klimaatadaptatie. De sector moet kunnen rekenen op een meerjarig perspectief, niet op koerswijzigingen die elke politieke cyclus volgen. Dat vraagt om afspraken tussen overheidslagen over de richting van dijkversterking, waterveiligheid en het toelaten of beperken van woningbouw in kwetsbare gebieden. Verzekeraars en financiele instellingen horen als groeiende krachten in dit gesprek aan tafel, gezien hun toenemende rol in het beoordelen van locatierisico's. Alleen wanneer overheid en opdrachtgevers een visie hanteren die niet elke vijf jaar omklapt, kan de sector investeren in de juiste oplossingen.
Tot slot moet het bewustzijn bij gebruikers structureel worden vergroot. De deelnemers leggen een lijn met de CO2-discussie: ook daar begon de transitie met meten, met bewustwording bij de keten en met leverancierseisen, en is het inmiddels gemeengoed. Voor water is een vergelijkbare lijn nodig: het waterverbruik moet zichtbaar worden in levenscyclusberekeningen, het meten moet structureel gebeuren en de jongste generaties moeten al op school worden meegenomen in wat verantwoord watergebruik betekent. Op gemeentelijk niveau zou bovendien meer ruimte gegeven moeten worden voor regelgeving die particulieren stimuleert om tegels te vervangen door groen, regentonnen te plaatsen en de afkoppeling van regenpijpen te realiseren. De brancheorganisatie heeft daarbij een belangrijke rol, met name in het ondersteunen van kleinere leden die niet zelf de capaciteit hebben om innovaties of meetsystemen te ontwikkelen.
Strategisch handelingsperspectief
Op strategisch en portfolio-niveau vraagt het waterdossier van leden van de brancheorganisatie een andere risico-afweging in projecten en in de keuze van opdrachten. Locatierisico in laaggelegen gebieden, verzekerbaarheid van toekomstige opleveringen en de levensduur van klimaatadaptieve voorzieningen worden factoren die expliciet in de portfoliokeuze meewegen. Bouwbedrijven en infrabedrijven die in hun strategie investeren in groen-blauwe expertise — ecologen, adviseurs duurzaamheid, watertechnische specialisten — zullen zich kunnen onderscheiden in tenders die nu nog incidenteel om die prestaties vragen, maar straks structureel. Tegelijk is het verstandig om in de bedrijfsstrategie scenario's te bouwen voor het geval verzekeraars en financiele instellingen op korte termijn locaties als niet langer verzekerbaar gaan afmerken — dat verandert de markt fundamenteel.
Op contractueel niveau gaat de uitdaging vooral over uitvraag, bekostiging en risicoverdeling. Leden zouden er bij opdrachtgevers — gemeenten, ontwikkelaars, corporaties — actief op moeten aandringen dat groen-blauwe en klimaatadaptieve prestaties als gunningscriterium en niet als open optie worden opgenomen. Wanneer prestaties wel worden gevraagd maar niet betaald, gaan ze in de aanbestedingen verloren. Voor individuele projecten ligt er een opgave om in de tenderfase aan te tonen welke meerwaarde een vroege betrokkenheid van het waterschap heeft en welke alternatieven mogelijk zijn als een middelgericht voorschrift niet aansluit bij de context. Doelgerichte contractbepalingen — met functionele eisen in plaats van technische voorschriften — geven de markt ruimte om de meest duurzame en kosteneffectieve oplossing aan te bieden.
Voor de brancheorganisatie zelf is er een onderscheidende rol weggelegd op drie sporen. Het eerste spoor is beleidsbeinvloeding: de waterschapsverkiezingen en het gesprek met de overheidslagen vragen om een samenhangende sectorboodschap over eenvormige basisregels, doelgerichte regelgeving, langjarig consistent beleid en eerlijker financiele prikkels. Het tweede spoor is kennisontwikkeling en kennisdeling: innovaties, geleerde lessen en goede voorbeelden uit groen-blauwe projecten in grote steden moeten beschikbaar komen voor kleinere leden zonder eigen adviseur duurzaamheid of ecoloog. Themabijeenkomsten waarbij ecologen, duurzaamheidsadviseurs en uitvoerenden ervaringen uitwisselen, zijn expliciet als wenselijk benoemd. Het derde spoor is maatschappelijke bewustwording: een sectoraal pleidooi voor het zichtbaar maken van waterverbruik in levenscyclusberekeningen, voor onderwijs vanaf jonge leeftijd en voor heffingen die de werkelijke kostprijs van water reflecteren, geeft het thema het gewicht dat het verdient en bouwt het maatschappelijke draagvlak waar de sector op leunt.